Naar de inhoud
Online Toets Maken

Kennisbank

Vraagtypekiezer

Beantwoord vier vragen over wat je wilt weten, hoe groot je groep is en wat er aan de uitslag hangt. Je krijgt een advies over het vraagtype, het aantal vragen en de valkuilen, klaar om af te drukken.

Welk vraagtype je nodig hebt, hangt van vier dingen af: wat je wilt weten, hoe groot je groep is, wat er aan de uitslag hangt en hoeveel nakijkwerk je aankunt. Vul die vier in en je krijgt een advies dat je kunt afdrukken of als pdf kunt bewaren.

Het rekenwerk gebeurt in je eigen browser. Er wordt niets verstuurd en niets bewaard.

De vraagtypekiezer

Vier vragen over jouw situatie. Je krijgt terug welk vraagtype past, hoeveel vragen je ongeveer nodig hebt en waar het bij die keuze misgaat. Alles rekent in je eigen browser en je kunt het advies afdrukken.

01Wat wil je vaststellen?
02Hoeveel mensen maken de toets per ronde?
03Wat hangt er aan de uitslag?
04Hoeveel nakijktijd heb je per deelnemer?

Waarom deze vier vragen

Wat je wilt weten bepaalt het meeste. Kennis kun je met gesloten vragen betrouwbaar en goedkoop meten. Toepassing vraagt om een situatie waarin de deelnemer moet kiezen. Of iemand iets kán, zie je pas als hij het doet en daar helpt geen enkele meerkeuzevraag bij. Zie van leerdoel naar toetsvraag.

De omvang van je groep bepaalt wat je je kunt veroorloven. Bij twaalf deelnemers kun je alles met de hand nakijken en zijn statistische aanwijzingen over je vragen weinig waard: de leidraad tentamenanalyse van de Universiteit van Amsterdam houdt minstens honderd afnames aan voor een betrouwbare analyse en spreekt vanaf vijfentwintig afnames van een eerste indruk. Bij driehonderd deelnemers is het omgekeerd: nakijken is de begrenzing en je krijgt bruikbare cijfers per vraag terug. Zie na de eerste afname.

Wat er aan de uitslag hangt bepaalt hoe streng je moet zijn over aantallen, cesuur en administratie. Bij oefenvragen mag alles. Bij een certificaat verandert dat.

Het nakijkwerk is de enige beperking die mensen structureel onderschatten. Reken bij open vragen op een paar minuten per antwoord per deelnemer en bij een praktijkopdracht op tien tot dertig minuten per inzending.

En daarna

Het advies zegt welk type past en waar je op moet letten. Het schrijft je vragen niet voor je. Voor dat deel staan de regels in een meerkeuzevraag schrijven die zichzelf niet verraadt en kun je een vraag die je al hebt door de vragenkeurder halen.

Weet je al welk type je gebruikt en wil je weten waar de zakgrens hoort te liggen, ga dan naar de cesuurrekenaar.