Naar de inhoud
Online Toets Maken

Kennisbank › Vraagtypen

Acht vraagtypen naast elkaar: wat ze meten en wat ze kosten

Meerkeuze, meerdere juist, open, sleepvragen en casussen vergeleken op wat ze meten, hoeveel nakijkwerk ze kosten en hoe fraudegevoelig ze zijn.

17 april 2026 4 minuten lezen

Elk cursusplatform biedt een rij vraagtypen aan en de meeste cursusmakers kiezen er één en blijven daarbij. Meestal meerkeuze, omdat het nakijken vanzelf gaat. Dat is een verdedigbare keuze, maar het is een keuze en geen vanzelfsprekendheid.

Hieronder staan de acht types die je in vrijwel elk platform tegenkomt, met per type wat het meet, wat het je aan nakijkwerk kost, hoe kwetsbaar het is als iemand de toets thuis alleen maakt en waar het niet voor deugt.

Vraagtypen vergeleken op wat ze meten, nakijkwerk, fraudegevoeligheid en beperkingen
VraagtypeWat het meetNakijkwerkFraudegevoeligDeugt niet voor
Meerkeuze, één juist Herkennen van het goede antwoord tussen plausibele alternatieven. Feitenkennis, begrippen, toepassing in een kort geval. Nul. De computer kijkt na. Hoog bij een toets zonder toezicht: het antwoord staat op het scherm en is makkelijk door te geven. Iets zelf formuleren, iets maken, een afweging opbouwen.
Meerdere juist Of iemand een set kenmerken compleet kent, zonder de hint dat er precies één goed is. Nul, maar je moet vooraf beslissen hoe je halve antwoorden telt. Hoog, net als meerkeuze. Fijn onderscheid. Bij alles-of-niets scoren zakt bijna iedereen op één vinkje.
Juist of onjuist Snel veel stellingen langslopen. Nul. Zeer hoog. De raadkans is de helft. Alles waar een uitslag aan hangt. Je hebt er heel veel van nodig voordat het iets betekent.
Kort antwoord of invulvraag Of iemand het woord, getal of begrip zelf kan produceren in plaats van herkennen. Klein, mits je alle spelvarianten vooraf invoert. Middel. Er is geen keuzelijst om over te schrijven. Langere redeneringen en alles waarbij meerdere formuleringen goed zijn.
Open vraag Uitleggen, onderbouwen, verbanden leggen, een eigen formulering kiezen. Groot. Reken op enkele minuten per antwoord per deelnemer. Middel tot hoog. De bron is nu ook een tekstgenerator. Grote groepen zonder nakijkcapaciteit en snelle tussentijdse checks.
Sleep- of koppelvraag Ordenen, indelen, bij elkaar horende zaken koppelen. Nul. Hoog. Een schermafdruk doet de rest. Uitleg en argumentatie. Ook lastig op een telefoon.
Volgordevraag Of iemand de stappen van een proces in de juiste volgorde zet. Nul. Hoog. Begrip van waarom die volgorde zo is. Iemand kan de rij stampen.
Casus met deelvragen Toepassen in een situatie die lijkt op het echte werk. Het dichtst bij de praktijk. Middel tot groot, afhankelijk van open of gesloten deelvragen. Laag als de casus per afname wisselt, hoog als hij jaren hetzelfde blijft. Losse feitenkennis controleren. Daar is hij te duur voor.

Hoe je deze tabel gebruikt

Begin bij de kolom "wat het meet" en zoek daar je leerdoel. Loop dan naar rechts en kijk of je de prijs wilt betalen. Bij open vragen is die prijs nakijktijd, bij meerkeuze is die prijs dat je nooit ziet of iemand het zelf had kunnen bedenken.

Wat je niet doet is beginnen bij wat je platform het makkelijkst maakt. Dat is hoe elke cursus bij meerkeuze uitkomt, ook als het leerdoel om iets anders vraagt.

Meerkeuze is niet oppervlakkig, slechte meerkeuze is dat

Er bestaat een hardnekkig idee dat meerkeuze alleen feitjes kan meten. Dat komt door de vragen die we ons herinneren uit school, niet door het vraagtype. Een goede meerkeuzevraag kan een geval beschrijven en vragen wat je nu doet, met vier antwoorden die allemaal door iemand in de praktijk gegeven worden. Dan meet je toepassing.

Dat is ook het uitgangspunt van de item-writing guide van de NBME, waarin meerkeuzevragen met een uitgewerkte casus juist bedoeld zijn om toepassing en redeneren te toetsen in plaats van losse feiten.

Wat meerkeuze principieel niet kan: laten zien of iemand het antwoord zelf had geproduceerd. Het goede antwoord staat op het scherm. Dat is de grens van het type en die verschuif je niet met betere vragen. Zie meerkeuzevragen schrijven voor de ambachtelijke kant.

Waar je op moet letten bij meerdere juiste antwoorden

Vragen waarbij meerdere opties goed zijn lijken strenger en dat zijn ze ook, maar ze introduceren een lastige beslissing: hoe reken je een half goed antwoord?

Drie manieren, alle drie in gebruik:

  • Alles of niets. Alleen de complete set levert een punt op. Streng en eenvoudig uit te leggen, maar bij vijf mogelijke vinkjes zakt vrijwel iedereen op één vergissing.
  • Punt per goed vinkje. Mild, maar dan is alles aanvinken de winnende strategie, tenzij je fout aangevinkte opties aftrekt.
  • Punt per goed vinkje, min punt per foute. Werkt en is de enige variant waarbij alles aanvinken niets oplevert. Leg wel uit dat je het zo doet, anders voelt het achteraf als een val.

Wat je ook kiest, zet het vóór de toets op het scherm.

Sleep- en volgordevragen: leuk, maar let op het scherm

Sleepvragen zien er goed uit en meten ordenen prima. Twee praktische bezwaren.

Ten eerste de telefoon. Slepen op een klein scherm is een fijnmotorische oefening en niet iedere deelnemer heeft daar geduld voor. Als een deel van je publiek mobiel werkt, test het dan zelf op een telefoon voordat je dit type in je eindtoets zet.

Ten tweede toegankelijkheid. Slepen met alleen een toetsenbord werkt lang niet overal. In de toegankelijkheidsrichtlijnen voor het web is dat sinds versie 2.2 een apart ijkpunt: bij elke handeling die slepen vraagt hoort een alternatief dat met een enkele aanwijsbeweging werkt. Voor een oefentoets is dat een ongemak, voor een toets waar iets aan hangt is het een probleem. Een koppelvraag met keuzelijstjes doet vaak hetzelfde werk en is beter te bedienen.

Casussen zijn duur en daarom zeldzaam

De casus met deelvragen staat het dichtst bij het echte werk: een situatie, wat gegevens en een reeks vragen die je erop loslaat. Het meet toepassen en afwegen tegelijk en het is nauwelijks te beantwoorden door alleen definities te kennen.

De prijs zit in het maakwerk. Een goede casus kost je een dag en is daarna jaren herkenbaar, wat hem fraudegevoelig maakt zodra hij rondgaat. De oplossing is meerdere casussen die elkaar afwisselen, met dezelfde deelvragen eronder. Dat is precies de investering die de meeste cursussen niet doen en daarom zie je casussen vooral bij opleidingen waar de uitslag echt iets betekent.

Combineren mag en werkt meestal het best

Een toets hoeft niet uit één type te bestaan. Een gebruikelijke opzet: vijftien meerkeuzevragen over begrippen en toepassing, plus één casus met twee open deelvragen. Het nakijkwerk blijft beperkt tot die twee deelvragen en je hebt toch iets waar iemand zelf moet formuleren.

Houd bij het mengen wel de puntentelling begrijpelijk. Als een open deelvraag zes punten waard is en een meerkeuzevraag één, wees dan expliciet, anders verrast de uitslag. En reken uit wat de raadkans van het meerkeuzedeel met je grens doet, dat kan met de cesuurrekenaar.

Wil je weten hoe je open antwoorden nakijkt zonder dat het willekeur wordt, lees dan open vragen nakijken.

Zet je vragen meteen online

Met Online Toets Maken maak je een toets met meerkeuze, waar of niet waar, kort antwoord en open vragen. Deel hem met een link en zie per vraag hoeveel deelnemers hem goed hadden. Je eerste 10 afnames zijn gratis.

Gratis toets maken