Oefentoets of eindtoets: hetzelfde gereedschap, andere instellingen
Tussentijds toetsen om te leren en aan het eind toetsen om vast te stellen zijn twee verschillende dingen. Wat je per soort anders instelt.

In de toetsleer heten ze formatief en summatief. Dat zijn de woorden die je tegenkomt zodra je iets opzoekt, maar ze zeggen weinig als je ze voor het eerst leest. In gewone taal: toets je om iemand verder te helpen, of toets je om iets vast te stellen?
Het gereedschap is hetzelfde. Dezelfde vraagtypen, dezelfde cursussoftware. Wat verschilt zijn de instellingen en de toon.
De oefentoets: bedoeld om fout te gaan
Een oefentoets is geslaagd als er fouten in gemaakt worden. Dat klinkt raar, maar een oefentoets die iedereen foutloos doet, heeft niemand iets geleerd en had net zo goed weg kunnen blijven.
Wat je hier instelt:
- Onbeperkt aantal pogingen, of in elk geval meer dan één.
- Feedback per antwoord die uitlegt waarom een optie niet klopt, niet alleen dat hij niet klopt.
- Geen cijfer, of hooguit een score die de deelnemer zelf ziet en verder nergens terechtkomt.
- Vragen mogen zwaarder zijn dan in je eindtoets, want falen kost hier niets.
Zet oefentoetsen kort en vaak neer. Drie vragen na elke les werkt beter dan dertig vragen na afloop van het hele blok. Het effect zit in het uit je geheugen ophalen. In klaslokaalonderzoek van Roediger en collega's leverden herhaalde korte toetsjes met feedback maanden later nog winst op ten opzichte van dezelfde stof herlezen. Die winst was het grootst op toetsen die pas na langere tijd volgden.
De eindtoets: bedoeld om een uitspraak te doen
De eindtoets moet iets kunnen dragen. Er hangt een uitslag aan, misschien een document, misschien toegang tot een vervolg. Daarom gelden er strengere eisen.
- Een vooraf vastgelegde grens, zie de cesuur bepalen.
- Genoeg vragen om de uitslag te dragen, zie hoeveel vragen een toets nodig heeft.
- Vragen die de leerdoelen dekken in de verhouding die je zelf hebt vastgelegd.
- Een afspraak over herkansen en over wat er gebeurt bij twijfel.
- Vragen die je niet vooraf hebt weggegeven in de oefentoetsen.
Dat laatste punt gaat het vaakst mis. Als je oefentoetsvragen letterlijk terugkomen in de eindtoets, meet je wie de oefentoets nog een keer heeft gedaan. Maak parallelle vragen: zelfde leerdoel, zelfde niveau, ander geval.
Terugkoppeling verschilt per soort
Bij de oefentoets is de terugkoppeling het product. Je legt uit waarom een gekozen optie niet klopt en wijst naar de plek in je cursus waar het staat.
Bij de eindtoets is terugkoppeling een keuze met gevolgen. Geef je na afloop alle goede antwoorden weer, dan heb je je toets weggegeven aan iedereen die hem heeft gemaakt. Wil je toch iets teruggeven, dan zijn er tussenvormen: per onderwerp laten zien hoeveel er goed was, zonder de vragen zelf te tonen. Dat helpt bij een herkansing en houdt je vragenbestand heel.
Meer daarover in feedback per antwoord.
Waar het door elkaar loopt
Twee situaties waarin het onderscheid vervaagt en dat is niet erg, zolang je het bewust doet.
De toets die telt maar mild is. Veel trainingen willen een certificaat kunnen uitreiken zonder iemand te laten zakken. Dat mag, maar noem het dan wat het is. Als vrijwel iedereen slaagt, is de toets vooral een leermoment met een bewijs eraan vast en geen selectiemiddel.
De oefentoets die stiekem meetelt. Sommige platformen laten pas de volgende les vrij als de vorige quiz gehaald is. Dat is een grens, dus dat is een eindtoets in het klein. Ga er dan ook zo mee om: zorg dat de vragen deugen en dat de grens haalbaar is, anders zitten deelnemers vast in les drie.
Een werkbare opzet voor de meeste cursussen
Voor een cursus van vier tot acht lessen komt dit meestal goed uit:
- Na elke les drie tot vijf vragen, onbeperkt herhaalbaar, met uitleg per antwoord.
- Halverwege een langere oefentoets die de eerste helft samenneemt.
- Aan het eind één toets die telt, met minstens twintig vragen als er iets aan verbonden wordt.
- Eén herkansing na een wachttijd, met een andere vragenset uit dezelfde bak.
Dat vierde punt vraagt dat je meer vragen schrijft dan je in één toets kwijt kunt. Reken op anderhalf tot twee keer zoveel. Het is het saaiste deel van het werk en het bespaart je later de discussie over wie welke vragen al eens gezien heeft.
Twijfel je over de vraagvorm die bij welk moment hoort, kijk dan in de vergelijking van vraagtypen.
Zet je vragen meteen online
Met Online Toets Maken maak je een toets met meerkeuze, waar of niet waar, kort antwoord en open vragen. Deel hem met een link en zie per vraag hoeveel deelnemers hem goed hadden. Je eerste 10 afnames zijn gratis.
Gratis toets maken